De machine krijgt alle aandacht en het zaagblad krijgt de schuld. Zo gaat het vrijwel altijd: iemand koopt een degelijke cirkelzaag, zet er het blad in dat er toevallig in zat, en concludeert na een verbrande snee in multiplex dat het gereedschap tegenvalt. Terwijl het blad tien euro kost en de zaag tweehonderd. Van alle dingen die je aan een zaagklus kunt verbeteren is het blad veruit het goedkoopste en het meest bepalende.
Hieronder staat per materiaal welk blad erin hoort, met de tanding erbij. Bewaar het als naslag, want dit is niet iets wat je onthoudt: je hebt het drie keer per jaar nodig, precies op het moment dat je in de bouwmarkt voor het rek staat en niet weet of je die 24 of die 60 tanden moet hebben.
Welk blad bij welk materiaal
| Materiaal | Type blad | Tanding | Machine |
|---|---|---|---|
| Balkhout, ruw zaagwerk | Hardmetaal, grove tand | 18 tot 24 tanden (185 mm) | Cirkelzaag |
| Geschaafd vurenhout, plaatmateriaal | Hardmetaal, fijne tand | 40 tot 48 tanden (185 mm) | Cirkelzaag, invalzaag |
| Gelamineerd paneel, laminaat, MDF met folie | Hardmetaal, zeer fijn, negatieve spaanhoek | 60 tot 80 tanden (185 mm) | Cirkelzaag, verstekzaag |
| Hout met spijkers erin | Bimetaal reciprozaagblad | 6 tot 10 tanden per inch | Reciprozaag |
| Dun staal, buis tot 3 mm wand | Bimetaal | 18 tot 24 tanden per inch | Decoupeerzaag, reciprozaag |
| Dik staal, hoekprofiel vanaf 5 mm | Bimetaal of hardmetaal | 10 tot 14 tanden per inch | Reciprozaag, metaalzaag |
| Aluminium en koper | Hardmetaal, veel tanden, smeren | 60 tot 80 tanden (185 mm) | Verstekzaag |
| Gipsplaat | Hardmetaalkorrel, geen tanding | Korrel, niet in tanden uit te drukken | Decoupeerzaag, gipsplaatzaag |
| Kunststof, pvc, plexiglas | Hardmetaal fijn of speciaal kunststofblad | 40 tot 60 tanden (185 mm) | Cirkelzaag op laag toerental |
| Tegel, steen, beton | Diamant, gesloten of gesegmenteerd rand | Geen tanden | Haakse slijper, tegelzaag |
| Gasbeton en cellenbeton | Hardmetaal getipt, zeer grof | Handzaag met 3 tanden per inch | Handzaag, reciprozaag |
De vuistregel achter die getallen
Alle bovenstaande waarden komen voort uit één principe: er moeten altijd minstens drie tanden tegelijk in het materiaal zitten, en liever niet veel meer dan twaalf. Zitten er te weinig tanden in, dan hapt het blad en trekt het je werkstuk uit de klem, wat bij metaal betekent dat de tanden afbreken. Zitten er te veel tanden in, dan kan de spaander nergens heen, hoopt hij op tussen de tanden en gaat de warmte in het materiaal zitten in plaats van in de krul. Dat is precies de reden dat multiplex met een grof blad rafelt en dat hetzelfde blad in een balk juist prettig doorloopt.
Voor plaatmateriaal geldt daarnaast dat de bovenkant van de plaat het gezicht is. Een cirkelzaag snijdt van onder naar boven, dus de splinters komen aan de bovenzijde. Leg je plaat met de mooie kant naar beneden en je splintert in het deel dat je toch niet ziet. Bij een decoupeerzaag is het net andersom, want die zaagt op de opgaande slag, tenzij je een blad met omgekeerde tanding gebruikt.
Wat het aantal tanden niet vertelt
Twee bladen met allebei 48 tanden kunnen totaal verschillend werken, en dat zit in de vorm van de tand en in de zaagsnedebreedte. Een blad met wisseltand, waarbij de tanden om en om schuin geslepen zijn, is de standaard voor hout en plaat. Een blad met een vlakke tand hakt eerder dan dat het snijdt en hoort bij grof werk. En bij het zagen van gelamineerd materiaal wil je een negatieve spaanhoek, waarbij de tanden licht achterover staan: dat blad trekt zichzelf niet naar voren en scheurt de toplaag niet open.
De zaagsnedebreedte is de andere vergeten waarde. Een dun blad van 1,6 mm vraagt minder van je machine en verspilt minder materiaal, maar hij loopt sneller warm en kan gaan verlopen in dik hout. Voor een accuzaag is dun juist prettig, want die haalt meer meters uit een accu.
Wat ik zelf in huis heb liggen
Een voorraadje bladen is een van de weinige dingen waarvan ik echt vind dat je ze op voorhand koopt, en niet op het moment dat de klus stilligt. Dit ligt bij mij in de kast:
- Cirkelzaagblad 185 mm, 24 tanden, voor sloop- en balkwerk
- Cirkelzaagblad 185 mm, 48 tanden, voor plaat en geschaafd hout
- Cirkelzaagblad 185 mm, 60 tanden met negatieve spaanhoek, alleen voor laminaat en gefolieerde platen
- Set decoupeerzaagbladen: T101B voor hout, T118A voor dun metaal, T144D voor snel schulpen
- Twee reciprozaagbladen: één bimetaal 6 tanden per inch voor hout met spijkers, één 18 tanden per inch voor buis
- Diamantschijf 125 mm voor de haakse slijper, gesloten rand voor tegels
- Een hardmetaalkorrelblad voor gipsplaat
- Een blik zaagwas of gewoon een kaars, om de zaagsnede te smeren bij aluminium
Die T-nummers bij decoupeerzaagbladen zijn geen merkcode maar een norm, dus een T101B van het huismerk past net zo goed in je Makita of Bosch als een blad van het merk zelf. Losse bladen koop je bij Praxis, Gamma, Hornbach of Karwei, en voor bimetaal en diamant zit je scherper bij Toolstation, Bouwmaat of een ijzerwarenzaak in de buurt. Reken op vijf tot vijftien euro voor een fatsoenlijk cirkelzaagblad, twintig tot vijfenveertig euro voor een goede fijne, en tien tot dertig euro voor een diamantschijf van 125 mm (prijzen 2026).
Van goedkope sets word ik niet blij
Die bakjes met vijftig zaagbladen voor twaalf euro liggen er niet voor niets. Ze zijn gemaakt van zacht staal, ze zijn na twee meter bot en ze geven je precies het gevoel dat je gereedschap niet deugt. Wat mij betreft koop je liever drie goede bladen dan vijftig matige, en dat geldt dubbel voor bimetaal: het verschil tussen een blad dat door een spijker heen gaat en een blad dat erop stukloopt is niet subtiel.
Hetzelfde geldt voor bot geworden bladen. Een hardmetaalblad kun je laten slijpen voor zo’n tien tot twintig euro per blad bij een slijperij, en dat is bij een duur fijn blad de moeite waard. Bij een blad van acht euro is het dat niet, en dan is doorzagen met een bot blad de duurste optie van allemaal, want je verbrandt je werkstuk en belast je machine.
Voordat het blad het materiaal raakt
Twee dingen die niet over bladen gaan maar wel over hetzelfde moment. Zaag je in een wand, dan weet je niet wat erachter zit, en een reciprozaagblad gaat dwars door een waterleiding en door een elektriciteitskabel heen. Zoek eerst met een leidingzoeker, en denk eraan dat leidingen normaal gesproken loodrecht boven en naast schakelaars en stopcontacten lopen, maar dat in oudere huizen niemand zich daaraan hield. Twijfel je bij een muur die er constructief toe doet, lees dan eerst hoe je een dragende muur herkent voordat je er een sleuf in zaagt.
En dan het stof. Zagen in gipsplaat, MDF en beton geeft fijnstof dat je niet uit je longen krijgt. Een stofmasker van klasse FFP2 kost een paar euro en is bij MDF geen overdreven voorzichtigheid: het bindmiddel daarin is niet iets wat je vrijwillig inademt. Verder een veiligheidsbril, altijd, ook voor die ene korte snee.
De machine erbij kiezen
Een blad kan alleen goed werken als de machine erbij past. Voor recht plaatwerk is een cirkelzaag met geleiderail de enige manier om een echt rechte snee te krijgen, en dat scheelt meer dan tien extra tanden. Voor rondingen is de decoupeerzaag onvervangbaar, mits je pendelslag uitzet zodra de kwaliteit van de snede belangrijker is dan de snelheid. En voor sloopwerk is de reciprozaag met een lang bimetaalblad het gereedschap dat het snelst het meeste kapotmaakt, wat soms precies de bedoeling is.
Zit je nog vóór die keuze en heb je nog geen zaag, dan is de volgorde die ik zou aanhouden: eerst een fatsoenlijke boormachine, dan een decoupeerzaag, dan pas een cirkelzaag met rail. Zaag je vooral plinten en lijstwerk, dan komt er een verstekzaag voor de decoupeerzaag, en dan is het aantal tanden nog belangrijker dan hierboven staat: hoe je daarmee verstek zaagt zonder kieren hangt volledig af van een schoon blad met veel tanden. Voor de afwerking daarna geldt trouwens hetzelfde principe als bij zagen, namelijk dat de korrel het werk doet en niet de machine, en dat staat uitgewerkt in het overzicht over welke schuurmachine bij welke klus hoort.
